Lassen van constructies

Geen lasfout maar wel een defect voor de conservering

Hoe kan een goedgekeurde las toch conserveringsproblemen opleveren?

Wij allemaal kennen constructies die gelast zijn: bruggen, verkeersportalen over de weg en sommigen van ons ook de platformen op zee, soms voor olie en gas, maar sinds kort ook de constructies voor windenergie.

Dit zijn de objecten die lang mee moeten gaan. In enkele gevallen is de gewenste levensduur zelfs 50 tot 100 jaar.

Er zijn ook constructies die gelast zijn en een mindere levensduur vereisen; denk aan de ondersteunende constructies van loodsen en gebouwen in een gematigd klimaat, deels gelast en deels aan elkaar gemaakt met boutverbindingen.

 

Lasverbindingen zijn verbindingen die tot stand zijn gekomen door het versmelten van metaal, waarbij het moedermateriaal geheel tot smelten komt. Afhankelijk van het proces kan nog een toevoegmateriaal worden gebruikt, maar in alle gevallen gaat het om het versmelten van het moedermateriaal.

Voor al deze versmeltingsprocessen zijn normen beschikbaar waaraan een lasverbinding moet voldoen. Ook is er een dozijn testen en technisch vernuftige methoden om de lasverbindingen te controleren tegen de vereiste specificatie.

 

Voor de conservering van al deze prachtige constructies is minder aandacht.

Het accepteren van een lasverbinding heeft namelijk niets te maken met de oppervlakte gesteldheid, zeg maar het uiterlijk van een las.

In de laswereld is het heel normaal om kleine oppervlakte foutjes te accepteren, omdat die kleine foutjes niets afdoen aan de sterkte van een las. De laswereld kan soms zelfs een sterkte bereiken met lassen die niet geheel doorlopend zijn, de kettinglas.

Een kettinglas in een buiten milieu, is echter een 100% garantie voor het falen van een conserveringssysteem binnen enkele jaren.

 

De levensduur van een conservering is sterk afhankelijk van de afwerking en gladheid van de lasverbinding. 

Enkele voorbeelden:

1. Een lasspetter is absoluut geen onderdeel van een lasverbinding, maar door z’n aanwezigheid op het metalen oppervlak zullen er problemen ontstaan die we corrosie noemen.

a. Het materiaal van een lasspetter is zuurstofrijk en is heel gevoelig voor corrosie.
b. Aan de onderzijde van de lasspetter zal, als er overheen geschilderd wordt, een minuscuul randje lucht blijven staan; zelfs voorzetten zal hier de lucht niet verdrijven.
c. De gewenste laagdikte zal ter plaatse van de lasspetter niet worden gehaald.

 

2. Een klein gaatje in de las is voor de uiteindelijk sterkte meestal geen probleem, maar de applicateur kan dit eenvoudig weg niet voorbehandelen of schilderen.

a.   In het gaatje kan niet worden gestraald, een zuurstofrijke huid zit in het gaatje.
b.    Het gaatje is zo klein dat zelfs de dunste verf het gaatje niet geheel kan vullen; er blijft lucht onder in het gaatje zitten.
c. Wanneer het materiaal van dit gaatje is gaan corroderen en het moet onderhouden worden, begint alles weer opnieuw. Het gaatje blijft onbereikbaar voor de applicateur en er zal weer “gelapt” gaan worden.

 

Zo zijn er tientallen defecten te noemen die een geaccepteerde las, volgens de lasnormen, tot een gecorrodeerd punt kunnen maken.

In veel gevallen is het echter niet de schilder die ten grondslag ligt aan dit teleurstellende resultaat, maar het is wel in veel gevallen de eerst schuldige waaraan gedacht wordt.

 

Wilt u meer weten over Smolders SSO of over de mogelijkheden op het gebied van inspectie, advies en begeleiding op conserveringswerken? Neem gerust contact met ons op.

Bel mij terug